Cleynaerts in Portugal

1

De vreemde Portugese gewoonten


Als ergens de landbouw verwaarloosd wordt, dan is het wel in Portugal. Het viel me onmiddellijk op hoe zwak het hier met die basisinkomsten van de staat gesteld was. Geen volk ter wereld is zo werkschuw als het Portugese. Ik spreek dan vooral van hen die aan deze kant van de Taag wonen en, bij wijze van spreken, al Afrikaanse lucht inademen. Als hier geen massa vreemdelingen verbleef om het handwerk te verrichten, ik geloof niet dat ik ooit een barbier of een kleermaker had kunnen vinden.
Verder werd me vlug duidelijk dat mijn jaarlijkse vergoeding - hoewel dubbel zo groot als in Leuven - van mij geen rijk man zou maken: alles was hier twee tot drie keer duurder. Neem nu de barbier. Eén scheerbeurt kostte me een halve real, terwijl ik in Leuven ten hoogste een negenmanneke neer moest leggen. Na enig rekenwerk kwam ik tot de onthutsende vaststelling, dat mijn baard me hier jaarlijks vijftien florijnen kostte! Ik kreeg dan wel waar voor mijn geld: in Portugal word je immers niet geschoren, je wordt er gevild. De barbier van Évora schraapte en kraste mijn kin tot de tranen me in de ogen sprongen. Geen wonder dat er hier zoveel gebaarden rondlopen.
Neem dan een andere barbier, hoor ik u zeggen. Wel, vergeet dat. De handwerkslieden zijn hier zo schaars dat ze hun eigen wetten stellen. Wilde ik geschoren worden, dan moest ik eerst mijn knecht uitsturen met de eerbiedige bede of de heer barbier mij alstublieft met een bezoek wilde vereren. Pas na de tweede of de derde keer kwam hij, zonder kom of scheermes. Mijn knecht Willem moest het scheermes halen en het water gaan kopen. U leest het goed: kopen. Portugees water is zo duur als Leuvense landwijn. Willem bracht dus alles mee en droeg het na de foltering ook weer weg. Want het zijn allemaal edelen hier, en voor zulke lieden is het een schande de handen te laten wapperen.

Denkt u dat een huisvrouw naar de markt gaat? Dat ze vis koopt? Dat ze groenten schoonmaakt? U vergist zich. Een huisvrouw dient hier tot niets, tenzij tot datgene waarvoor het huwelijk is ingesteld. Zelfs al zou ik er een kwart van mijn inkomen aan besteden, ik zou geen meid vinden om mijn huishouden te doen. Wie dat werk dan doet? De zwarten. Portugal is vergeven van de zwarten. Elke huishouding beschikt over ten minste één zwarte dienstmeid. Die doet de inkopen, wast en plast, schrobt de vloer, kookt, maakt de nachtpotten leeg en verschilt, behalve in haar uiterlijk, in niets van een lastdier.
De rijken doen daar nog een schepje bovenop. Die hebben verscheidene slaven van de twee geslachten in dienst en daarmee kweken ze, net als met duiven. Verre van boos te zijn op de liederlijke levenswandel van hun dienstmaagden, zijn ze veeleer verheugd over het nieuwe broed dat daaruit voortkomt. Dat erft immers de status van zijn moeder.
Die breeddenkendheid op het gebied van de liefde is trouwens kenmerkend voor heel de Portugese maatschappij: overal wordt Venus publiekelijk geëerd. Een jongeman die als maagd in het huwelijk treedt, is een bezienswaardigheid.
Denk inmiddels niet dat er voor zoveel zwarte duivels geen werk is. Met hoevelen ze ook zijn, ze hebben allemaal hun eigen taak. Als de heer uitrijdt, stappen er twee voorop, een derde draagt de hoed, een vierde de mantel, een vijfde houdt de teugels van het paard vast, een zesde draagt de zijden pantoffels, een zevende houdt de kleerborstel klaar, een achtste veegt het zweet van het paard, een negende geeft zijn meester de kam aan, een tiende houdt toezicht op heel dit leger. Ik zeg alleen wat ik zelf gezien heb.
Zou een vrij man dan bereid zijn ook maar het kleinste werkje te verrichten? Geen denken aan! Een vleesverkoper voelt zich zelfs te goed om zijn waar aan te prijzen. Wil je een stuk vlees, sméék er dan om. Wacht daarna één of twee uur geduldig en ontfutsel het hem. Zoek vervolgens een slaafje om het te dragen, want het is een schande met een stuk vlees in de handen door de straten te lopen. Ik word nagekeken als ik mijn eigen hoed draag!
En het ergste van alles: die uiterlijke praal berust uitsluitend op schijn! Al die slaven worden onderhouden ten koste van veel vasten en ascese. Op een keer vond Willem in de straten rond het paleis een boekje waarin een voorname hoveling - ik verzwijg u zijn naam - zijn dagelijkse uitgaven bijhield. Die zagen er zo uit:

water ...... 4 ceitis
brood ...... 2 reis
rapen .... 1,5 real

Dat was alles voor de maandag. De dinsdag zag er niet anders uit, evenmin als de rest van de week. Hopend dat de man op zondag toch iets essentiëlers tussen de tanden zou krijgen, keek Willem ook daar en hij las:

Niets vandaag. Geen rapen op de markt.


Wel, van die rapenvreters lopen er véél rond in het paleis. Als ze buitenkomen, slepen ze een hele kudde dienaars achter zich aan, maar binnenshuis voeden ze zich met honger. Ik vermoed dat sommigen meer dienaars hebben dan geldstukken. En dat geldt niet alleen voor de hovelingen: de grootste armoezaaier onderhoudt liever een troep armzalige slaven dan dat hij een serieus vak leert
Zozeer verschillen de Lusitaanse gewoonten van de onze. Ik was niet van plan ze na te volgen, vooral niet omdat de Portugezen ze zelf afkeuren. Na enkele maanden Évora had ik echter het gevoel dat Portugal een reus op lemen voeten was.

2


Reizen in Portugal


Begin augustus 1537 was het mijn beurt om naar Braga te vertrekken. Ik had een indrukwekkende escorte bij me: één Hollandse knecht, drie zwarte slaafjes, twee paarden, drie muilezels, twee stalknechten en vier immense koffers, veel te groot voor zo’n kleine meester als ik. De inlanders die ik ontmoette, knikten me eerbiedig toe, overtuigd van het feit dat een kardinaal door hun streek trok.
Om de hitte te vermijden, waren we laat in de middag vertrokken voor een kleine dagmars, maar door een wegvergissing kwamen we pas in het holst van de nacht op onze bestemming aan. Er was geen wijn en geen eten meer. Toen we vroegen waar de paarden konden drinken - in de heimelijke hoop voor onszelf wat te hebben - zei de waard dat er ook geen water meer was: de hele streek stond droog. Die droogte duurde net zolang tot ik mijn beurs liet rinkelen. Toen kwamen plotseling zes kruiken water te voorschijn, een wonder dat het mirakel van Kanaän evenaarde. We dronken en betaalden en leerden dat we dat beter in de omgekeerde volgorde konden doen: eerst betalen en dan drinken. Nu rekende de waard ons drie reis de man aan en daarmee kun je in Leuven een hele dag de rijke heer uithangen.
Bij het slapengaan bleek het bed te kort voor mij. Was het winter geweest, dan waren mijn benen tot aan mijn knieën afgevroren. Mijn drie zwarte apostelen, die gewoon waren op een zachte ondergrond te slapen, moesten met een dunne mat tevreden zijn. Geen pretje voor hun magere knoken.
Een goed begin, maar het kon nog beter.

De volgende dag: aankomst in Montargil en evenveel comfort. Het huisje waarin we overnachtten, was amper groot genoeg om onze bagage in onder te brengen. Geen stal. Geen spoor van een bed.

Met zeven man aten we van een konijntje dat we onderweg met bange voorgevoelens gekocht hadden. De paarden bleven onder de blote hemel staan. Mijn gezellen sliepen tussen de zadels en de uitwerpselen. Ik, de meester, verdiende wat beters: ik werd tussen de bagage opgehangen, zó dat alleen mijn voeten en mijn hoofd ondersteund werden terwijl de rest van mijn lijf tussen hemel en aarde zweefde.
Na een uur rusten - of wat daarvoor doorging - was ik alweer te been en maakte ik de stalknechten wakker om verder te trekken. Die weigerden evenwel op te staan zolang het nog donker was. Dus wachtte ik tot de maan opkwam en toen begonnen we aan een uitputtende tocht door een uitgestrekte verlatenheid. Tegen de middag - we zaten al tien uur in het zadel - hadden we amper vier mijl afgelegd. Het paard van Willem was slecht te poot en stuikte een paar keer voorover, gelukkig zonder erg. Ik van mijn kant was geradbraakt, ook al had ik de knepen nu veel beter onder de knie dan toen ik indertijd uit Leuven was vertrokken. Onze voorraden aten we helemaal op: de stalknechten beweerden dat er aan de andere kant van de Taag overvloed zou zijn.
U kunt raden wat er gebeurde: we bereikten de rivier te laat om ze nog bij daglicht over te steken. Op de oever één enkele herberg.
‘Goeiedag, patrão!’
Geen antwoord.
‘Hebt u stro, patrão?’
De man, wiens mond halfopen hing, deed hard zijn best om na te denken: zijn ogen puilden gevaarlijk uit hun kassen. Maar kennelijk raakte hij daar zo uitgeput van dat hij het antwoord schuldig bleef. Geërgerd ging ik naar buiten en ik liet de onderhandelingen aan de stalknechten over. Even later kwamen die me vertellen dat het huis van onder tot boven vol stro stak. Dat ontrukten we aan de patrão en we volgden dezelfde procedure voor de gerst. Toen kwamen wij aan de beurt.

‘Is er iets te eten?’
Er bleek zowaar een pot op het vuur te staan met een minuscuul stukje spek erin.
‘Mogen we het spek hebben?’
Ik kreeg een stukje van een halve ons, genoeg om mijn maag hongerig te maken. Willem kreeg minder. De rest kreeg niets.
‘Zijn er eieren?’
Weer verzonk de patrão in gedachten, en toen pakte hij uit met een heel merkwaardige opmerking: ‘Dit is niet het seizoen van de eieren.’
Hij kon dus praten, onze beul, al wist ik niet dat er zoiets als een eierenseizoen bestond. Vreemde jaargetijden, daar in Portugal.
‘Hebt u kippen?’
‘De kippen zijn ziek!’
Dat was de vrouw van de patrão.
‘Vrouw, kunnen we een beetje van de saus hebben waarin het spek gebakken is?’
‘Dat is niet lekker.’
‘Geef het toch maar, dan kunnen we er ons brood in soppen.’
‘Ik zeg toch dat het niet lekker is!’
‘Vrouw, hebt u dan geen ander stuk spek om te bakken?’
‘Spek is niet gezond!’
En zeggen dat aan de overkant van de Taag het paradijs op ons wachtte!
‘Vrouw, hebt u misschien vis?’
‘’t Is geen visdag, vandaag.’
Ik herinnerde mij opeens hoe ik in Diest met Arnold en Servaes soms mijn honger had gestild. Met de moed der wanhoop - een mens in nood kan diep vallen - vroeg ik dus: ‘Vrouw, hebt u ajuinen?’
Toen ik haar onwillige gezicht zag, begon ik zelf al nee te schudden, maar plotseling zei ze, verschrikkelijk tegen haar zin: ‘Ik zal eens gaan kijken.’
Lange tijd zweefden we tussen hoop en vrees, maar deze keer was Jupiter Hospitalis ons goed gezind: we kregen zegge en schrijve twee ajuinen. Terwijl het water ons uit de mond liep, stoofde de vrouw ze in olie en azijn. Willem at er eentje, ik at er eentje en toen waren ze op.
Willem: ‘Hebt u een bed voor onze geleerde meester?’
De patrão gaapte als een schuurpoort toen er over slapen gesproken werd, maar de vrouw bleef klaarwakker.
‘Het is nog te vroeg om naar bed te gaan,’ zei ze kordaat.

Willem en ik waren te verbijsterd om te reageren, maar nu begon een van de stalknechten tegen haar te tieren.
De vrouw liet het rustig over zich heen gaan en zei kortaf: ‘Vinte!’
Weer een lange tirade van mijn stalknecht, gevolgd door een even korte repliek van de waardin: ‘Vinte!’
Uiteindelijk betaalde ik zuchtend twintig reis voor een bed dat die naam niet waard was.
‘Goudaanvoerende Taag’ zingen de dichters, maar ik denk dat het ‘goudafvoerende’ moet zijn, zoveel geld ben ik die nacht kwijtgeraakt.


3

Cleynaerts als leraar

De week daarop begon ik in een lokaal van het bisschoppelijk paleis aan enkele jongens uit de stad Latijn te onderwijzen. Tijdens die eerste lessen praatte ik met hen op dezelfde manier als Columbus met de inboorlingen van de Nieuwe Wereld moet hebben gepraat: eenlettergrepige woorden, gebaren, herhalingen, misverstanden. Maar na de eerste week begrepen mijn nieuwe pupillen al eenvoudige bevelen.
Als een lopend vuurtje verspreidde het gerucht van de lessen zich door de stad en weldra meldden zich heel wat liefhebbers aan van alle leeftijden: kinderen van amper vijf jaar en oudjes van meer dan vijftig, verder priesters, zwarte slaven, welgestelden, kreupelen, analfabeten. Na een tijdje kwamen hele families, van grootvader tot kleinkind, naar mijn lokaal afgezakt. Ik geloof niet dat dit in Europa ooit vertoond is.
Uiteraard sprak ik geen woord Portugees. Latijn was de voertaal en dat spraken ze hakkelend en stotterend, als ze beginnelingen waren, of vol fouten, wanneer ze bij de gevorderden behoorden. Van de kleinsten verlangde ik natuurlijk niet het uiterste. Zij moesten vooral stilzitten en luisteren. De school was voor hen in de echte zin van het woord een ‘ludus’, een spel.

Alle middelen waren goed om er iets in te krijgen. Regels van de spraakkunst? Geen. Zinsconstructies? Geen. Verbuigingen en vervoegingen? Geen. Ik verbood mijn leerlingen ook maar één woord op te schrijven. Alles moest spelenderwijs gebeuren. Wat ze van de eerste keer niet begrepen, herhaalde ik tientallen keren en ik toonde het ook. Op een bepaalde ogenblik gaf ik zowaar Latijn met handen en voeten: mijn neus snuiten, mijn haar kammen, mijn schoenen aan- en uitdoen, ik deed het allemaal voor, terwijl ik hardop het Latijnse woord uitsprak.
Als gevolg van die methode kwam ik op een keer voor een onaangename verrassing te staan. Dat gebeurde nadat ik de tegenwoordige tijd van esse had aangeleerd.
‘Salvete, discipuli!’
‘Salvete, magistri!’
Er zat meer dan tweehonderd man in de zaal. Dat ze me in het meervoud begroetten, lag aan het feit dat ik ook mijn drie zwarte slaafjes Carbo, Nigrinus en Dento tot meester had aangesteld, al stonden die niet op de promotielijst van een of andere universiteit.
‘Hodie discemus modum imperativum!’
Dat begrepen ze waarschijnlijk niet, maar dat was de minste van mijn zorgen.
‘Imperativus habet duas terminationes: singularis et pluralis. Iterum!’
‘Singularis et pluralis!’ riepen ze enthousiast, want die woorden kenden ze van de vorige les.
Toen gaf ik een teken aan Dento en zei: ‘Dento, salta!’
Dento kwam naar voren en sprong gehoorzaam omhoog.
‘Videtisne omnes? Salta, singularis! Iterum!’
‘Salta, singularis!’ ging het door de zaal.
Daarop gaf ik een wenk aan Carbo en zei: ‘Carbo et Dento: saltate!’
Carbo kwam naast Dento staan en samen sprongen ze omhoog.
‘Saltate, pluralis! Iterum!’
En heel gedisciplineerd ging het van: ‘Saltate, pluralis!’
Daarop stak ik mijn hand uit met de handpalm naar boven.
‘Salta, singularis!’ schreeuwden ze, want ook dat gebaar kenden ze al.
Ik draaide mijn handpalm naar beneden: ‘Saltate, pluralis!’
Vervolgens deed ik hetzelfde met vide en videte en met audi en audite. Daarna maakte ik een wipje als ik salta-saltate wilde horen, ik legde mijn vinger onder mijn oog en trok het ver open als ik vide-videte wilde hebben, en ik greep mijn oor vast als ze audi-audite moesten zeggen. Op den duur werd het een spelletje. Wipje, handpalm naar boven: salta. Oog, handpalm naar beneden: videte. Oor, handpalm naar boven: audi. Zo commandeerde ik moeiteloos mijn Portugese heir.
Toen dat er goed in zat, ging ik over op de uitzonderingen.
‘Nigrine, repe per pavimentum!’
Onmiddellijk begon Nigrinus in het stof rond te kruipen.

‘Videte!’ riep ik luid en ik trok mijn oog wijd open. Iedereen reikhalsde om Nigrinus te bekijken, die zijn opdracht met overgave uitvoerde.
Daarop gaf ik een wenk aan Carbo en Dento: ‘Repite per pavimentum!’
Als een woest zwijn begon Carbo in het rond te kruipen, terwijl de lenige Dento een goede imitatie van een kronkelende slang gaf. Het tafereel werkte zo op de lachspieren dat zelfs ik me niet kon inhouden. Een ramp voor de discipline! Iedereen begon te lachen en te applaudisseren en Dento, aangespoord door het succes van zijn voorstelling, begaf zich met ontblote tanden tussen de eerste rijen, waar de kleintjes zich gillend achter de rug van hun ouders verstopten.
‘Repe, repite!’ riep ik boven het tumult uit, en de hele zaal brulde me na: ‘Repe, repite!’
‘Singularis et pluralis!’ deed ik en weer kwaakte iedereen me na.
Intussen richtte Dento een grote ravage aan en wilden ook Carbo en Nigrinus hun deel van de bijval, zodat de zaal één groot pandemonium werd. Ik gaf het op. Als ze plezier wilden hebben, konden ze het voor mijn part krijgen.
‘Repite omnes per pavimentum!’ schreeuwde ik en dat lieten ze zich geen twee keer zeggen. Iedereen zette zich op handen en knieën en begon onder luid gegil de vloer van de zaal schoon te vegen, terwijl mijn drie assistenten allen de stuipen op het lijf joegen.
‘Salta, saltate!’ riep ik, en de hele zaal kwam overeind om de bokkesprongen van Carbo na te bootsen. Het stof waaide hoog op. Ik liet ze springen, kruipen en roepen tot iedereen uitgeput was.
‘Sede, sedete!’
Hijgend vielen ze op hun plaats neer, niet meer bij machte het bevel te herhalen. Ik sleurde mijn drie duivels uit het publiek en zette ze in een hoekje om bij te komen. Tegelijkertijd maakte ik me klaar voor het volgende tafereel.
Daarvoor had ik een opgevouwen dekentje, een houten staf, een veelkleurige mijter van stijf papier en een afgedankte stola meegebracht. Het dekentje stak ik achter mijn soutane, zodat mijn buik patersallures kreeg. Vervolgens zette ik de mijter op mijn hoofd, ik greep de staf vast en toverde de heiligheid van een hoogwaardigheidsbekleder op mijn gezicht. Daar had ik geen moeite mee.
‘Ego sum cardinalis!’ zei ik en onder groot jolijt begon ik parmantig rond te stappen. Bij mijn drie apostelen smeekte ik de zegen van de hemel af en ik gaf hun de absolutie. Daarop grepen ze mijn hand vast en ze kusten mijn denkbeeldige ring, alles volgens de regels van de kunst. Ondertussen herhaalde ik voortdurend: ‘Ego sum cardinalis!’

Toen ik er zeker van was dat de kleinste dreumes begreep wat ego sum betekende, nam ik mijn mijter af, duwde hem op het hoofd van Dento en maakte van hem de eerste zwarte kardinaal. Dento sloot de ogen, vouwde zijn handen en hield zijn hoofd een beetje schuin.
‘Heus, Dento, tu es cardinalis!’ riep ik verwonderd uit, waarop Dento vroom bekende: ‘Ita, ego sum cardinalis.’
Hij stapte plechtig rond, zijn buik ver vooruitgestoken, al hadden zijn magere knoken grote moeite om het beeld van een welgedane kardinaal op te roepen. Ik knielde voor hem neer en kuste zijn vuile vingers, waarbij hij zo verwaand keek als een Franse paus. Applaus vanuit de zaal.
‘Videte omnes: Dento est cardinalis!’
Toen ze dit enkele keren hadden nagebalkt, vatte ik samen: ‘Ego sum, tu es, Dento est!’
En iedereen bevestigde: ‘Ego sum, tu es, Dento est.’
Dan zette ik de mijter weer op mijn hoofd, hing Dento de stola om de nek en gaf hem de staf.
‘Nos sumus cardinales!’ riep ik en ik hield mijn handpalm naar beneden om aan te duiden dat we nu in het meervoud zaten. Ik boog voor Dento en we gaven elkaar de vredeskus. Vervolgens begon mijn zwarte paljas vol overtuiging het publiek te zegenen. Iedereen brullen van het lachen, natuurlijk. Ik riep Carbo bij me, gaf hem mijn attributen en zette hem naast Dento.
‘Vos estis cardinales!’ zei ik en ze knikten vol heiligheid: ‘Nos sumus cardinales.’
Ik naar de zaal: ‘Carbo et Dento sunt cardinales!’
Gelach en daverend applaus. Zo ging ik door tot de vervoeging van esse er helemaal in zat.
Op die manier legde ik in de uithoek van Europa de grondslagen van het nieuwe Latijnse onderricht, methode Cleynaerts. Ik vrees dat de Leuvense professoren bij die aanpak hun bedenkingen zullen hebben, maar u weet dat ik van de eerste koppigheid niet gestorven ben.
Vooral de kinderen waren dol op mijn lessen en ik op hen. In Braga ondervond ik welk genoegen een leermeester aan leergierige jongeren beleeft. Dikwijls zaten ze al een uur vooraf op de vloer te wachten. Anderen oefenden hun dialogen 's nachts. Sommigen kwamen met hoge koorts naar school. Ik kon dan ook niet kwaad op ze zijn als ze na de les om mij heen kwamen hangen om mijn hand aan te raken, in mijn zakken te zitten, mijn mijter en staf af te pakken en ermee naar huis te trekken onder het roepen van ego sum cardinalis.
Toen Pasen naderde, haalde ik een lepe streek met ze uit. Ik vertelde hun in alle ernst dat het Latijn een bijbelse taal was en dat bijbelse talen zich veel beter later leren met een zuivere ziel dan met een zondig geweten. Om die reden moest iedereen vóór Pasen zijn zonden biechten, dat zou het resultaat van het onderricht bevorderen. Ik stelde een dag vast waarop het geen les zou zijn en dan moest het gebeuren.
Nooit hebben in Braga de kerken zo vol gezeten als op de dag dat ik geen les gaf. Priesters werden van de straat gerukt, kanunniken moesten hun ontbijt onderbreken, paters werden opgevorderd, allemaal moesten ze de plotselinge zielennood van mijn kudde lenigen. Na de middag kon ik me nergens nog vertonen of uit een zijstraat schoot een bende snotapen op mij af: ‘Eerwaarde vader, wij zijn al te biechten geweest!’
Zo gelukkig zagen ze eruit dat ik er tranen van in mijn ogen kreeg. Maar ik heb dan ook een klein hartje.
Maar nu moet ik nog vertellen welke onaangename verrassing me te beurt viel als gevolg van die lessen? Wel, drie maanden nadat ik de tegenwoordige tijd van esse had uitgelegd en ik mijn volgelingen met staf en mijter naar huis had gestuurd, stond plotseling een Diestenaar voor mijn deur. Hendrik Walboden heette hij en hij begroette me plechtig met ‘eerwaarde heer kardinaal’. Ik schoot in de lach en klopte hem op zijn schouder, maar hij week eerbiedig achteruit, knielde en smeekte mijn zegen af.
Ik vroeg hem of hij wel bij zijn zinnen was en toen kwam de aap uit de mouw. Anderhalve maand geleden was in Diest het gerucht verspreid dat Nicolaes Cleynaerts door de koning van Portugal tot kardinaal van Braga was benoemd!
Ik viel achterover toen ik het hoorde - een weinig elegante positie voor een kardinaal - en verzekerde hem dat hij zich deerlijk vergiste. Maar hij bleef volhouden. In Diest was men zo overtuigd van de juistheid van het bericht, dat de rechters mijn kandidatuur voor het begijnhof definitief hadden verworpen. Ze dachten dat ik mij als kardinaal aan zo’n kleine prebende toch niets gelegen zou laten. Als bewijs voor zijn verhaal toonde de man een brief van mijn ouders, waarin alles bevestigd werd.

Ik stond sprakeloos. Tien jaar procesvoering waren dus zinloos geweest: ik was mijn begijnen kwijt. En dat allemaal omdat ik in Braga met een dikke buik en een mijter had rondgelopen.
Ik had een halve dag nodig om Hendrik van het misverstand te overtuigen en nog eens een halve dag om hem te troosten, want hij had echt gehoopt een slag te kunnen slaan. Vervolgens stuurde ik hem terug naar Brabant met de opdracht de ware toedracht aan mijn ouders te vertellen. Op gevaar af het domme gerucht nieuw voedsel te geven, gaf ik hem een bisschoppelijke troostprijs mee.